De man tegenover mij.
J.P.E. Willems
31 August 2026
De man tegenover mij.
Een warme zomernamiddag.
Het perron was vrijwel leeg.
Wat wil je, vakantie.
De trein was stipt.
Wat wil je, vakantie.
Ik zocht een plaatsje bij het raam en zette me neer. Tegenover mij zat een man die door het raam staarde. Je weet wel… zo kijken zonder werkelijk iets te zien.
Ik haalde een boek uit mijn tas, sloeg het open en begon te lezen.
Pas toen de trein bij het volgende station stopte, keek hij me voor het eerst aan.
‘Op weg naar je werk?’
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik heb een paar dagen vrij genomen. Ik ben op weg naar mijn zus. Mijn moeder is zopas gestorven en we hebben heel wat te bespreken.’
Hij knikte.
‘Ik begrijp het,’ zei hij. ‘De mensen die je graag ziet, gaan soms plots. En de overblijvers zitten met het verdriet.’
Daarna bleef het even stil.
Een stilte die niet ongemakkelijk was.
‘Bij mij is het anders,’ zei hij toen.
En hij begon te vertellen.
Over zijn baas, voor wie hij door dik en dun was gegaan. Over hoe hij steeds had meegedacht, geholpen, bijgesprongen wanneer het nodig was.
‘En nu…’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Nu zie ik dat hij meer belangstelling heeft voor het werk van iemand die zelf zegt dat hij alles zwart-wit bekijkt. Alsof er maar één manier is om naar dingen te kijken.’
Hij zweeg even.
‘Ik ben er best mee akkoord dat er aan mijn verslag nog geschaafd moet worden. Natuurlijk. Dat kan altijd. Maar als je de ene hulp aanbiedt, moet je die toch ook aan de andere geven?’
Hij keek weer naar buiten.
‘Soms voel ik me echt verwaarloost, bijna in de hoek gezet!’
Ik keek op van mijn boek.
‘Omdat andere dingen plots veel belangrijker zijn geworden?’
Hij glimlachte flauwtjes.
‘Ja. Precies dat.’
De trein reed verder.
Buiten gleed het zomerlandschap voorbij. Velden, huizen, bomen. Alles bewoog, terwijl wij tegenover elkaar bleven zitten.
Hij vertelde nog wat. Niet alles. Misschien kun je best nooit alles vertellen aan iemand die je pas een halfuur kent.
Maar genoeg.
Toen de trein opnieuw vertraagde, keek hij op de klok.
‘In het volgende station moet ik eraf.’
Hij sloot even zijn ogen en zei toen:
‘Ik ben blij dat ik met je kon praten. Ik heb eigenlijk niemand.’
Ik sloot mijn boek.
‘Ik vond het ook fijn om naar je te luisteren.’
De trein minderde vaart.
‘En trek je niet te veel aan van die zwart-witkijkers,’ zei ik. ‘Neem ze maar met een korreltje zout.’
Hij keek me vragend aan.
‘Immers als het over henzelf gaat,’ voegde ik eraan toe, ‘denken ze plots wel heel anders.’
Hij lachte.
Niet luid.
Maar echt.
De trein stopte.
Hij stond op, nam zijn tas en bleef nog even staan.
Toen stak hij zijn hand uit.
‘Dank je.’
‘Graag gedaan.’
De deuren gingen open.
Hij stapte uit.
Ik keek hem na tot hij verdween toen hij de trap afging.
Daarna ging ik weer zitten, opende mijn boek en probeerde verder te lezen.
Maar mijn gedachten waren ergens anders.
Bij een man die ik waarschijnlijk nooit meer zou zien.
Bij een hond die langs de kant van de weg was achtergelaten.
En bij de vreemde gedachte dat je soms maar een klein beetje warmte nodig hebt, een beetje empathie…
om niet langer te blijven wachten.
Terug